K & D Accountants
Charles Stulemeijerweg 7
5026 RS Tilburg
T 013 4550935
E info@kdaccountants.nl
BTW NL 8592.259.14.B01
K & D Accountants
Charles Stulemeijerweg 7
5026 RS Tilburg
T 013 4550935
E info@kdaccountants.nl
BTW NL 8592.259.14.B01
Minister Heinen benadrukt: “Contant geld is van iedereen. Voor veel mensen is contant betalen belangrijk omdat ze moeite hebben met digitaal betalingsverkeer of om andere redenen liever contant betalen. Bij een pinstoring is het ook essentieel om contant geld beschikbaar te hebben. Daarom moet contant geld toegankelijk blijven.”
Landelijke infrastructuur van geldautomaten
Hoewel banken al afspraken hebben over een landelijke infrastructuur van geldautomaten, blijkt dit volgens de minister niet voldoende om de bereikbaarheid van contant geld in de toekomst te garanderen. Het opnemen van contant geld mag particulieren geen geld kosten, en voor ondernemers zullen maximumtarieven gelden. Geld storten moet ook mogelijk worden bij geldautomaten voor klanten van banken met meer dan 500.000 klanten, en voor particulieren zal dit kosteloos zijn.
Acceptatieplicht voor contante betalingen
Recent heeft de Tweede Kamer een voorstel aangenomen voor een nationale acceptatieplicht van contante betalingen tot € 3.000. De Eerste Kamer moet nog over dit voorstel stemmen. Momenteel wordt onderzocht welke uitzonderingen nodig zijn, bijvoorbeeld vanwege veiligheidsredenen.
Wat vind jij van het voorstel om contant geld wettelijk te verankeren? Denk je dat dit een positieve impact zal hebben op de toegankelijkheid van contant geld in Nederland?
De discussie over belastingverhoging ontstond nadat de Tweede Kamer in november verhinderde dat het lage btw-tarief op sport, cultuur en boeken werd verhoogd. Hierdoor moest het kabinet alternatieve manieren vinden om extra belastinginkomsten te genereren. De voorgestelde verhoging van het hoge btw-tarief zou naar verwachting circa 1,3 miljard euro opleveren, maar stuit op weerstand omdat dit de koopkracht kan aantasten en de inflatie tijdelijk kan aanwakkeren.
Het kabinet werkt aan een voorstel dat volgende week aan de Tweede Kamer wordt voorgelegd. Er lijkt weinig politieke draagvlak voor belastingverhogingen, maar moet er een keuze worden gemaakt: een beperkte stijging over meerdere sectoren of een aanzienlijke verhoging op specifieke producten en diensten.
Een alternatief dat is overwogen, is de invoering van één uniform btw-tarief van circa 17 à 18 procent, waarmee de huidige tarieven van 0, 9 en 21 procent zouden verdwijnen. Dit zou het belastingstelsel vereenvoudigen en inconsistenties, zoals het verschil in btw op condooms (9%) en glijmiddel (21%), wegnemen. Het kabinet acht deze optie echter niet haalbaar, omdat het gezonde producten zoals groente en fruit duurder zou maken.
Het kabinet neigt naar een bescheiden verhoging van het hoge btw-tarief als meest voor de hand liggende optie. Staatssecretaris Van Oostenbruggen zal aankomende week een keuzemenu met verschillende scenario’s aan de Tweede Kamer voorleggen.
De KOR biedt een vrijstelling van omzetbelasting (btw) voor ondernemers met een jaarlijkse omzet onder €20.000. Deze regeling is beschikbaar voor alle rechtsvormen, maar geldt alleen voor de btw; voor andere belastingen zoals de inkomstenbelasting, blijft aangifte verplicht.
Wijzigingen per 1 januari 2025
Vanaf 2025 zijn de volgende wijzigingen van kracht:
Criteria
De KOR is een btw-vrijstelling gebaseerd op omzet. Als de jaarlijkse omzet exclusief btw onder de €20.000 blijft, kunt u gebruikmaken van de KOR. Zowel belaste als bepaalde btw-vrijgestelde omzetten tellen mee voor deze grens, zoals:
Andere btw-vrijgestelde omzetten, zoals medische en sportdiensten, worden niet meegerekend.
Deelnamevoorwaarden
Elke ondernemer, ongeacht rechtsvorm, kan kiezen voor de KOR. Bij deelname:
Overwegingen voor de KOR
Stoppen met de KOR
De deelname eindigt als:
Twijfelt u of de KOR of EU-KOR een oplossing kan bieden aan uw onderneming neem dan contact op met uw contactpersoon.
De Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) is een nieuwe Europese richtlijn die bedrijven verplicht duurzaamheidsrapportages op te stellen. De regels zijn sinds 2024 van kracht voor grote ondernemingen, maar ook kleine mkb-bedrijven worden hier al mee geconfronteerd.
Welke impact heeft jouw bedrijf op de wereld? Deze vraag moeten veel grote organisaties beantwoorden in een verplichte duurzaamheidsrapportage. In dit verslag moeten bedrijven bijvoorbeeld aangeven hoe ze het milieu en mensenrechten beïnvloeden. Dit wordt bepaald door de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD), een nieuwe Europese richtlijn. De nieuwe regels gelden vanaf 2024 en 2025 alleen voor grote bedrijven. Toch zullen mkb-bedrijven indirect met de CSRD te maken krijgen, omdat grote ondernemingen in hun rapportage ook moeten laten zien hoe hun gehele toeleveringsketen presteert op het gebied van duurzaamheid. Dit betekent dat zij kleinere toeleveranciers zullen vragen om de benodigde informatie voor hun eigen duurzaamheidsrapportage.
Tijdslijn en criteria
De CSRD is sinds 1 januari 2024 van toepassing op bedrijven die eerder al onder de Non-Financial Reporting Directive (NFRD) vielen. De CSRD-richtlijn vervangt de NFRD en breidt de verplichtingen uit. Vanaf 2025 wordt duurzaamheidsrapportage verplicht voor grote bedrijven die voorheen buiten de NFRD vielen. Een bedrijf wordt als groot beschouwd als het voldoet aan ten minste twee van de volgende criteria:
Voor beursgenoteerde mkb-bedrijven geldt de CSRD vanaf 1 januari 2026.
CSRD en het MKB
Hoewel mkb-bedrijven voorlopig geen verplichting hebben om een duurzaamheidsrapportage te maken, kunnen ze wel vragen verwachten van grotere afnemers. Deze grotere bedrijven willen bijvoorbeeld weten hoe je product wordt vervaardigd, door wie, en of dit op een eerlijke en verantwoorde manier gebeurt. Grote bedrijven kijken strenger naar hun aanbieders en dienstverleners, weliswaar verplicht zodat zij zelf ook kunnen voldoen.
Tijdens de vakantieperiode kan een werkgever een ‘vakantieauto’ ter beschikking stellen aan haar werknemers. Of de werknemer kan er voor kiezen de auto van de zaak gedurende deze periode in te leveren.
De gevolgen van bijtelling hangen af van de situatie. Hieronder een drietal situaties:
Vervangend voertuig in de vakantieperiode
Als de werknemer een auto van de zaak heeft en tijdens de vakantieperiode een andere auto ter beschikking krijgt, dient er bijgeteld te worden als er in totaal meer dan 500 privékilometers in een kalenderjaar wordt gereden.
De bijtelling geldt voor beide auto’s gedurende de tijd dat deze aan de werknemer ter beschikking staan. Het privégebruik van elke auto wordt berekend naar verhouding van de periode waarin de auto’s beschikbaar waren.
Alleen tijdens de vakantie beschikbaar
Indien de werkgever de werknemer enkel tijdens de vakantieperiode een auto ter beschikking stelt, dienen de gereden privékilometers geëxtrapoleerd te worden naar een heel kalenderjaar. Als dit aantal meer dan 500 kilometer bedraagt, moet de bijtelling naar rato worden berekend.
Sleutels inleveren tijdens de vakantie
Een werknemer rijdt meer dan 500 kilometer privé met de auto van de zaak. Tijdens een vakantieperiode van een maand levert hij de autosleutels in. Geldt dan nog steeds de bijtelling voor deze maand?
In dit geval moet je bepalen of de auto tijdens de vakantie nog steeds ter beschikking staat van de werknemer.
Zie ook de Handreiking privégebruik auto op Belastingdienst.nl of paragraaf 23.3 Reizen met een personenauto van de zaak in het Handboek Loonheffingen.
Deze week stemt een meerderheid in de Tweede Kamer in met een motie die de mogelijkheid van invoering van de nieuwe box 3-heffing op basis van werkelijk rendement in 2027 openhoudt. Hoewel de planning voor invoering strak is en het uitgestelde Kamerdebat de invoering in 2027 leek te vertragen, blijft het nu een optie.
Tijdens een debat in april werd duidelijk dat de Tweede Kamer graag ziet dat het nieuwe box 3-stelsel in 2027 wordt ingevoerd. Er bestaat echter verdeeldheid over de specifieke vorm ervan. De vier formerende partijen lijken een vermogenswinstbelasting te overwegen, waarbij meer beleggingen in box 3 zouden worden opgenomen. Deze belasting zou pas worden geheven wanneer winst daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Het voorstel van Van Rij omvat een vermogensaanwasbelasting voor liquide beleggingen, zoals beursgenoteerde aandelen en obligaties, waarbij ook belasting wordt betaald over ongerealiseerde winsten. Voor illiquide beleggingen, zoals vastgoed en belangen in startups en familiebedrijven, werd een vermogenswinstbelasting voorgesteld.
Van Rij heeft gewaarschuwd dat de Europese staatssteunregels een uitzondering voor aandelen in familiebedrijven belemmeren. Daarom stelt hij voor het voorstel te beperken tot startups en vastgoed. De Tweede Kamer, met de VVD als voortrekker, geeft echter de voorkeur aan belastingheffing op alle illiquide beleggingen via een vermogenswinstbelasting.
Strakke planning
Staatssecretaris Van Rij van Financiën heeft recentelijk een reeks nieuwe vragen van de Kamer beantwoord. Hij heeft aangegeven dat de Kamer nog deze maand moet instemmen met het voorleggen van het huidige voorstel aan de Raad van State, om de mogelijkheid van invoering in 2027 open te houden. Een gepland debat hierover werd echter uitgesteld vanwege een extra ingelast Kamerdebat over het hoofdlijnenakkoord. Hierdoor leek 2027 mogelijk al uit het zicht te verdwijnen, maar een motie van NSC’er Idsinga lijkt daar nu verandering in te brengen. In de motie wordt het kabinet opgeroepen om het voorbereidingsproces voort te zetten, zodat het beoogde invoeringsjaar van het nieuwe box 3-regime op basis van werkelijk rendement, namelijk 1 januari 2027, gehaald kan worden. Deze motie heeft naar verluidt de steun van een meerderheid in de Kamer, waaronder partijen zoals de VVD, GroenLinks-PvdA, BBB en ChristenUnie, zoals gemeld door het FD.
Hiermee lijkt een mogelijke nieuwe vertraging voorlopig afgewend te zijn. Niettemin blijft het onzeker of 2027 als invoeringsjaar daadwerkelijk gehaald zal worden. De capaciteit van de Belastingdienst is nog steeds een punt van onzekerheid wat betreft de geplande invoering.
Minister Van Weyenberg (Financiën) en Yeşilgöz-Zegerius (Justitie en Veiligheid) willen het verbod op contante betalingen boven €3.000 toch doorzetten, ondanks dat dit eerder controversieel is verklaard door de Kamer.
Wetsvoorstel Plan van aanpak Witwassen
De Kamerbrief beschrijft diverse scenario’s ter voortzetting van het wetsvoorstel Plan van aanpak Witwassen. De ministers streven ernaar om witwaspraktijken aan te pakken door een limiet te stellen aan contante betalingen, vanwege het veelvuldige gebruik van grote sommen contant geld door criminelen. Het is noodzakelijk om de invoering hiervan niet verder uit te stellen vanwege de verplichtingen in het HVP. Bovendien blijken alle vier de bepalingen uit het wetsvoorstel in de huidige vorm onverenigbaar te zijn met het Europese AML-pakket dat in 2027 van kracht wordt.
De ministers geven er de voorkeur aan om voorlopig alleen de limiet op contante betalingen verder te brengen via een nota van wijziging op het oorspronkelijke wetsvoorstel, om te voorkomen dat Nederland mogelijk 600 miljoen euro aan Europees geld mis loopt.De overige maatregelen uit het wetsvoorstel Plan van aanpak Witwassen, zoals gezamenlijke transactiemonitoring, worden in dit scenario meegenomen in het implementatietraject van het Europese AML-pakket. Er zijn in totaal vier mogelijke scenario’s uitgewerkt voor de voortgang van het wetsvoorstel Plan van aanpak Witwassen. De ministers zijn van plan om hierover met de Kamer in gesprek te gaan tijdens het Commissiedebat op 24 april aanstaande.
Europees proces
Het Europese wetgevingsproces met betrekking tot het AML-pakket is nog niet definitief afgesloten. De stemming van het Europees Parlement over dit wetsvoorstel staat gepland voor 24 april 2024. Europese landen hebben vervolgens drie jaar de tijd om de wetgeving te implementeren. De regelgeving zal van kracht worden in het voorjaar van 2027.